Na op 4 juli 1954 geboren te zijn, doorliep ik met goed gevolg – ik slaagde cum laude voor het verkeersexamen – de Prinses Margrietschool in Slootdorp. Daarna volgde de HBS in Schagen. Uiteindelijk – na 7 jaar – had ik hem, het einddiploma.

Het echte leven begon met de Pedagogische academie, een onbestemde periode van de ene baan in, de andere uit, een tamelijk lugubere tijd in een kraakpand in Alkmaar, de sociale academie en een uitgebreide stageperiode op De Verbinding, een lagere school in de Pijp, Amsterdam, en kwam in rustiger vaarwater toen ik rond mijn dertigste mijn passie had gevonden: ik werd in plaats van meester, journalist. Zo’n twintig jaar trok ik op met alle bekende mensen die je je maar voor kunt stellen.

In die tijd schreef ik twee boeken: In Plaats van Bloemen, een spannende psychologische thriller waarvan er zo’n duizend over de toonbank zijn gegaan (hetgeen me jubelende kritieken opleverde. Echt waar!), en HitStory, een prachtig vorm gegeven boek met interviews en foto’s (door William Rutten) van de bekendste Nederlandse singersongwriters over hun bekendste liedje.

Met NIET TE VERTEREN is het drieluik compleet: de opgedane ervaring en kennis wil ik gebruiken om dit veruit belangrijkste boek niet alleen in de markt zetten, maar ook het aantal verkochte exemplaren (300.000) van De Voedselzandloper ruim overtreffen; de inhoud van dit boek moet iedere ouder tenminste kennen en het liefst ook toepassen. Afgezien van de industrie wordt iedereen daar beter, gelukkiger en gezonder van.

De titel van dit boek, NIET TE VERTEREN, dekt de lading helemaal. Ik bedacht hem op 4 juli 2014 – de dag dat ik 60 werd, en ook de dag dat Frankrijk en Duitsland tegen elkaar speelden in het kader van het wereldkampioenschap voetbal – in de trein van Amsterdam naar Almere Poort om twee minuten over negen ’s avonds.

Dat weet ik nog precies omdat ik op dat moment aankwam op station Weesp, en een schermpje voor me de tijd aangaf waarop dat gebeurde. Ik vroeg mijn overbuurvrouw om een pen en schreef hem op, de titel, in een boek dat ik van Jan, een van mijn oudste en beste vrienden, vlak voordat ik in de trein stapte had gekregen. Met hem had ik die middag mijn verjaardag gevierd.

Jan is arts en vind zichzelf een goede en betrokken arts en ik denk dat dat klopt. Vanuit die visie vindt hij ook dat hij meer afweet van voeding en de invloed die dat heeft op je lichaam en ook dat klopt in zekere zin ook. Hij heeft twee zoons, een van 8 en een van 10. We hadden afgesproken om de wedstrijd te gaan bekijken in een café in de Warmoesstraat, Amsterdam.
Mijn Thaise vrouw, Noi en Milan, mijn kleinzoon (die wij opvoeden), met wie ik sinds anderhalf jaar in een heerlijk huis in Almere Poort woon, waren de dag er voor naar Thailand vertrokken.

Goed, waarom vertel ik je dit allemaal?

Dat zal ik uitleggen. Ik was in die periode bezig om de laatste hand te leggen aan dit boek, had twee dagen voor onze afspraak te horen geregen dat een uitgever het wilde uitgeven en ik vertelde Jan op een terras op het Waagplein enthousiast waar het boek over ging: (on)gezonde voeding en de negatieve invloed die dat heeft op onze kinderen.
Al een paar keer had Jan fijntjes laten weten dat hij er aan twijfelde of ik wel de juiste persoon was om zo’n boek te schrijven. Als ik niet eens wist hoeveel energie een gram eiwit genereert? Dat was basisinformatie, hoe kon ik dan…

Dat zei hij een uurtje of twee later toen hij mijn gezever kennelijk beu was. Ik zag aan zijn gezicht dat hij echt een beetje boos was, dat ik de euvele moed had om zo’n boek te schrijven; of ik expert op dat gebied was, terwijl hij vanuit zijn optiek vond dat ik er geen bal van wist. En helaas, ook dat klopt in zekere zin.

Ik liet hem uitrazen en zei toen heel rustig dat je er op verschillende manieren naar kon kijken, dat het mij niet zo zeer ging om energie en eiwitten, maar om de door de voedingsindustrie geproduceerde namaakvoeding die nogal wat ellende veroorzaakte. Dat diezelfde industrie verschrikkelijk veel geld aan die rommel verdiende, ten koste van de gezondheid van onze kinderen (en natuurlijk van onszelf, maar daar gaat het in dit boek nu even niet over).

‘Dat krijgt een diëtiste tijdens haar eerste les’, sputterde hij nog wat na.
‘De mens heeft miljoenen jaren op een natuurlijk menu geleefd’, zo ging ik onverstoorbaar verder, ‘en nu opeens krijgt hij alleen maar geraffineerd voedsel voor zijn kiezen. Dat kan ons lichaam niet handelen. Ons voedsel zit vol met E-nummers en andere namaak ingrediënten, die daar niet in thuis horen, daar worden we ziek van. We eten het omdat we de producenten en de winkels die het verkopen vertrouwen. Daar maken ze handig misbruik van. Daar gaat het mij om’.
Ik vroeg hem even later op de man af: ‘Maakt het jou wat uit wat jij eet?’

‘Nee’ zei hij, dat maakt me niks uit’.
Dat wist ik al, want ik ken Jan al een fiks aantal jaren en hij eet alles wat voor zijn mond komt, behalve vlees en vis dan, want hij is net als ik verstokt vegetariër. Dan moet ik er wel bij vertellen dat Jan een fanatiek hardloper is en zo de grammetjes er wel weer af loopt.

‘En voor je kinderen?’ vroeg ik.
‘Ook niet’, zei hij.

Hij gaf schoorvoetend toe dat hij minder af wist van die E-nummers en geraffineerde ingrediënten, dan van energie en eiwitten.

Ik legde uit dat de manier waarop ons voedsel tegenwoordig gemaakt wordt, en hoe ons lichaam daarmee omgaat, wel een groot verschil maakte. En dat ik daar inmiddels, na een paar jaar intensief onderzoek, wel veel van afwist.

Toen ontdooide hij.

Maar waar we echt bij elkaar kwamen was toen ik vertelde wat ik met mijn kleinzoon zoal meemaakte. Ik vertelde hem, onder andere, dat mijn dochter, die twee dagen per week bij ons intrekt om haar moederlijke plichten te vervullen, een paar dagen terug thuis was gekomen met een doos enorme Magnums, witte Magnums nog wel.

‘Ja, dat kan echt niet’, vond hij.

Zo kwam het gesprek op hoe wij, in ons land, met onze kinderen omgaan. Dat we alles doen om hun liefde te winnen. Met ‘we’ bedoel ik niet alleen wij als ouders en grootouders, maar zo’n beetje iedere volwassene, vrouwen voorop.

Ter illustratie vertelde hij een verhaal over een bezoek dat hij een paar weken daarvoor met zijn twee zoontjes aan een revalidatiecentrum had gebracht, waar zijn schoonmoeder tijdelijk zit. In dat centrum verblijft ook een Joodse vrouw die het, in zijn woorden, op zijn zoontjes heeft gemunt. Ze prijst hen de hemel in en leert hen Ivriet. Zo ‘steelt’ ze hun aandacht en dat werkt.

En tijdens dat bezoek wilde die Joodse vrouw hen verwennen met een ijsje. Jeanet, Jans vrouw, was het daar niet mee eens en probeerde tot een compromis te komen, in plaats van een cornetto, stelde ze een waterijsje voor. Helaas waren die op, dus het werd toch een Cornetto. Het eind van het liedje was dat zijn schoonmoeder en de Joodse vrouw ruzie maakten over wie dan die traktatie zou mogen betalen.

‘Stel je voor,’ zei Jan, ‘ruzie om wie het ijsje mag betalen.’
We gaan, kortom, ver om de liefde van onze kinderen te winnen constateerden we.
‘We verwennen ze tot de dood er op volgt’, zei ik.
Hij knikte.

En anno 2014 ligt de munitie daarvoor gewoon in de schappen van de supermarkt: rijen chips, snoep, koek, ijs en andere verwennerij die vol zit met ziekmakende geraffineerde ingrediënten die we liefkozend E-nummers noemen en die zijn goed gekeurd door de Europese Unie. Daarmee kopen we de liefde van onze kinderen af en die spelen het spel doorgaans briljant mee. Ze spelen in op ons schuldgevoel, geven ons het idee dat ze precies doen wat wij willen en voelen feilloos aan hoe ze kunnen krijgen wat zij hebben willen.

Als tegenprestatie stellen ze slechts een voorwaarde: ik wil verwend worden. Kortom, we knuffelen onze kinderen tot ze stikken. Daarbij is de voedingsindustrie onze trouwe bondgenoot, en die lacht in zijn vuistje

Op weg naar de trein onderbouwden we, Jan en ik, deze stelling met nog een aantal voorbeelden – gescheiden ouders die tegen elkaar op bieden, ouders die tekort schieten, tantes en ooms die maar al te graag willen trakteren op een ijsje of een zakje patat, volslagen onbekenden als obers in een restaurant die tegen je kind zeggen: ‘Jij lust zeker wel een ijsje’ en je kind ongevraagd meenemen naar de keuken om het een ijsje te geven, terwijl hij net door een collega meegenomen was naar die zelfde keuken voor een bakje patat: ‘ Speciaal voor jou.’ Gelukkig zat er ook nog een heel klein beetje groente bij, zeer waarschijnlijk niet biologisch.

Ja, ongezond voedsel verbroedert.

Dat dacht ik toen ik daar in de trein op weg naar huis was en opeens schoot het me te binnen: ‘Niet te verteren!’ (Met een uitroepteken), want daar gaat het over. Het is krachtig, actief, uitdagend; Kom maar op, ik lust je rauw! Dat is wat het zegt. Je laat je tanden zien! In het belang van jezelf, maar vooral van je kind.

De volgende morgen stond ik om 6 uur op – overigens had Duitsland gewonnen, met 1-0 – en schreef deze proloog.